De ster

Waar de ochtendmist in het water valt, staan we te kijken
van de stilte. Het is alsof het ruisen van de zee verstilt.

Als de wind begint te waaien, dan hebben we
geen adem meer voor woorden. We denken dan maar.

We denken aan de dag, toen de zee en het strand
een spel speelden met de wolken, de wind en een kind.
Het kind speelde mee.

Waar de mist in het water valt, is er geen kind meer
dat speelt.

En toch blijft het kind altijd fluisteren als de wind
die zucht in onze oren.

Misschien is dat omdat
we niet anders kunnen dan huilen met de wind,
wanneer de regen onze tranen doet drogen.

En toch blijft het kind altijd waaien als een storm
die nooit gaat liggen.

Misschien is dat omdat
de bladeren in ons hoofd allang gevallen zijn,
wanneer de boom zich koppig vastklampt aan zijn gebladerte.

Als de wind begint te waaien, dan hebben we
geen adem meer voor woorden. We denken dan maar.

We denken aan de ochtend, toen het kind ons zei:
huil niet om de bladeren die vallen, er komt altijd nog een lente.

We denken aan de dag die de zon in zich draagt.
We denken aan de nacht die de kinderster laat stralen
in het donker.

//

Podiumtekst, geschreven voor en gebracht tijdens Wereldlichtjesdag in Beringen op 10 december 2017.