GEOOGST in januari 2017: Emke Goijens, Bert Struyvé en Kristien Spooren

Door Koen Snyers & Zeghetmettekst GEOOGST in januari 2017: Emke Goijens, Bert Struyvé en Kristien Spooren.

//

WARMTEZOEKERS

Wij zijn warmtezoekers, hunkeren naar honinglicht
wij willen doorbreken, wij willen stralen
de zon jaloers maken
maar soms laten de wolken niet los
dan zoeken wij warmte bij elkaar
misschien daarom
dat je in de winter eenzaam bent

Wij vallen niet even snel als de duisternis
en rijzen trager dan de zon met
schaamrood rond haar kruin
ons hoofd blijft halverwege hangen
het donker dooft ons uit
de avond vergeeft ons afglijden
wij kunnen als de natuur niet alles verbergen
hoeven niet alles te verbergen

Wij zijn monden die wolkfiguren uitademen,
verdoofde vingertoppen warmblazen,
verkleumd buiten adem raken
onze handen zijn harken
wij worstelen met onze wortels
en trekken ze uit

Open je hand
de eerste sneeuwvlok
sist als as van tranen
smelt uit vrije overgave of
bevriest onder dwang

Wij nestelen ons in de aarde,
smeltend in een winterslaap
wij overwinteren in elkaar

Emke Goijens

//

DE STEDELIJKE DAKTUINDER

tuinbouwkassen op kantoorkolossen lichten
in deze stad het nachtlied schreeuwerig op
met pastinaken en koolkarkassen
die balanceren tussen maaiveld en sterrenstatus
de nieuwe kwetsbaren zonder hoogtevrees

de stadse tuinders zaaien, verpotten, ontgroenen
menig slatapijt, op de randen van wolken
het rood-wit van radijs. vergeet trouwens je laarzen niet
het lekt soms schorseneren, het goud van arme mensen

welk zaadje wil hier nu komen wonen?
alhoewel: er zijn nog plaatsen vrij! waar je
de hemelkoepel kan raken en de zon je schoonheid
probeert te openen, waar verse regen
schokschoudert langs spiegelwanden, waar de tuinders
ergens moeder aarde kisten en
jou – nog maar halfwas – verkopen

je wilt toch het kind zijn van groen geverfde verten
niet van opeengeklemde kaken, het kind dat
allesbehalve betraand het geweten zeeft?
je bent geen maretak, al krimpt de ruimte
hier in elke vierkante meter

Bert Struyvé

//

KOFFIE

in de koffie op de tafel verdronken we onze gedachten. zwijgend klopte het verleden op de deur. doe jij open? vroeg ik. het ontbijt verslikte zich in wat wij ook niet wilden zeggen.

dat we toch leven, vond zij en ze strompelde naar de ladekast. op de bovenste plank nam ze een doofpot waar we onze stilte in bewaarden.

laten we zingen, zei ze en we zongen tot onze kelen hees werden.

we lieten onze zorgen sudderen op het gasvuur. buiten vielen bladeren van de bomen en kastanjes op de grond. soms is loslaten het mooiste wat er is, dacht de herfst.

en om de hoek wachtte de winter, groter en verder dan we die ooit hadden geschilderd.

Kristien Spooren