Ode aan Jeroen

Ik vraag me af
of rood ooit bezonken zal zijn,
of dood ooit versierd zal worden.

Wie begrijpt ooit wat van rood of dood?

Laten we niet bij voorbaat treuren
om rood voordat het bezonken is,
om dood voordat hij versierd is.

Ik vraag me af
waar ik het meest van hou:
van winterlicht of zomervlucht,
van warme herfst of zonsopgangen boven zee.

Wie begrijpt ooit wat van zomervluchten naar het zuiden?

Misschien vliegen mensen gewoon naar het zuiden
omdat zonsopgangen boven zee aan de Noordzee niet
te zien zijn.

Wie begrijpt ooit wat van warme herfst of winterlicht?

Dat na de herfst een winter komt,
is zelfs geen zekerheid meer.

Misschien stel ik te veel vragen.
Misschien bestaat de stilte uit zoveel
antwoorden.

De stilte is altijd het antwoord,
morgen van het hout dat zwijgt,
gisteren van geheime kamers in mijn hoofd,
nu van jou, de liefste in de verte.

In de stilte nu droom ik van datumloze dagen,
dagen waarop ik zelfs niet meer hoef te weten
welke dag van de week het is.

In de stilte nu, van datumloze dagen, droom ik van ons,
de verliefden die elkaar kilometers brieven blijven schrijven,
tot onze levens alleen nog papieren levens zullen zijn.

Als wij ooit de laatste deur dicht slaan en de zon zwart wordt,
zullen mensen onze dood versieren met bittere bloemen.
Ze zullen denken: zonde van al dat papier.

//

Een gedicht, geschreven als ode aan schrijver Jeroen Brouwers, die op 30 april 2020 tachtig jaar werd. In het gedicht verwerkte Koen Snyers liefst 19 titels uit het werk van Brouwers.